Loading images...

Giardia

Diarree bij pups en kittens in kennels of catteries, of in andere situaties waar relatief veel dieren bij elkaar gehouden worden, is een regelmatig voorkomend probleem. Een mogelijke oorzaak is een Giardia infectie. Wat is Giardia nu precies en hoe schadelijk is deze parasiet voor hond of kat? Hoe ziet een Giardia infectie eruit en hoe kunnen we erachter komen dat deze parasiet de oorzaak is van diarree? Wat kunnen we er aan doen (preventief en therapeutisch)? Op al deze vragen proberen we in onderstaand artikel een antwoord te geven.

Giardia is een ééncellige parasiet die wereldwijd voorkomt bij zoogdieren, ook bij de mens. De parasiet leeft in het lumen van de dunne darm. Het hecht zich met behulp van flagellen (een soort dunne tentakeltjes) aan het slijmvlies van de darm. Hierdoor raakt het slijmvlies aan de oppervlakte beschadigd, waardoor de vertering en opname van voedingsstoffen niet meer optimaal verlopen. Door deze slechte vertering ontstaat diarree.

Een dier infecteert zich met Giardia door het opnemen van eitjes. Deze eitjes worden ook wel oöcysten genoemd. Deze oöcysten worden uitgescheiden met de ontlasting door een ander dier die reeds geïnfecteerd is met de parasiet. Onder invloed van maagzuur en spijsverteringssappen uit de alvleesklier komen uit de oöcysten de parasieten zelf vrij, dit worden trofozoieten genoemd. Uit één oöcyste komen twee trofozoieten.

Deze trofozoieten zijn de `beestjes’ die zich met hun tentakeltjes aan het slijmvlies van de darmwand hechten en diarree veroorzaken. De trofozoieten vermenigvuldigen zich in de darm en leven daar een tijdje en gaan vervolgens gedurende hun transport door het darmkanaal weer over in de cysteuze vorm (=oöcysten). Zo verlaten ze met de ontlasting het lichaam. Ze zijn direct weer infectieus en kunnen vooral onder koele en vochtige omstandigheden lange tijd overleven buiten het dier. Met ontlasting besmet drinkwater is dan ook de belangrijkste infectiebron voor hond en kat.

Meestal wordt een chronische, terugkerende diarree gezien. De diarree is niet waterdun, maar brijig, slijmerig en (zurig) stinkend. Vaak bevat de ontlasting veel vet, ten gevolge van de slechte vertering. Dit kan verwarrend zijn en doet het beeld denken aan een probleem met de alvleesklier. Meestal is de eetlust goed, soms zelfs wat meer dan normaal. Op enkele uitzonderingen na zijn de dieren niet ernstig ziek. De dieren zijn vaak wel wat te mager. Jonge dieren, beneden de leeftijd van 1 jaar, zijn het meest gevoelig. Maar ook dieren die om een of andere reden een verminderde weerstand hebben pikken de infectie sneller op. Volwassen dieren met een normale weerstand en een gezond maagdarmkanaal zijn waarschijnlijk niet of nauwelijks gevoelig voor de infectie.

Het is niet altijd eenvoudig om de diagnose te stellen. De oöcysten zijn erg klein (kleiner dan wormeitjes) en daardoor vrij moeilijk te vinden in de ontlasting. Bovendien scheidt een geïnfecteerd dier niet permanent oöcysten uit. De kans op het vinden van de oöcysten wordt dan ook groter als er diverse ontlastingmonsters (van verschillende dieren en tijdstippen) worden verzameld en bekeken. Soms kun je in verse ontlasting trofozoieten vinden onder de microscoop. Deze trofozoieten zijn herkenbaar aan hun specifieke vorm en bewegingen. Het zijn vooral verse (nog warm) diarree monsters waarin de trofozoieten gevonden kunnen worden. Blijkbaar hebben deze trofozoieten door de versnelde passage in de darm onvoldoende tijd gehad om te veranderen in de cysteuze vorm.

Er zijn ook zogenaamde ELISA testen om een Giardia infectie aan te tonen. Dit is een test waarbij met behulp van specifieke antilichamen de aanwezigheid van een bepaald Giardia-eiwit wordt aangetoond.

De behandeling bestaat uit een kuur met Metronidazol of Fenbendazol. In een groep dieren moeten alle dieren behandeld worden, niet alleen de dieren met diarree. Verder kan het zinvol zijn om extra vezels voeren. Een vezelrijk dieet of vezels toevoegen aan het voer, zou de aanhechting van parasiet aan de darmwand tegengaan of in ieder geval afremmen.

Hygiëne is het sleutelwoord als het om preventie van Giardia infecties gaat. Schoon drinkwater en regelmatig opruimen van ontlasting in een kennel of schoonmaken van kattenbakken is absolute noodzaak. Het kan helpen om drinkbakken wat hoger van de grond af te zetten; in een standaard bijvoorbeeld. Huishoudelijk schoonmaken met heet tot kokend water en zeep is meestal voldoende. Eventueel daarna de omgeving drogen met behulp van hete lucht.

Het kan ook helpen om de dieren zelf te wassen (vooral na een periode van diarree), zodat de vacht vrij gemaakt wordt van eventuele oöcysten. Niet teveel dieren in een (te) kleine ruimte helpt natuurlijk ook om de infectie te voorkomen.